Het Hof van Justitie

Verwijzende rechter: Franstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel (C-4/25)

1) Wanneer een lidstaat, buiten het kader van de toepassing van een bepaling van afgeleid recht, in het kader van gezinshereniging een visum toekent aan de ouders en de minderjarige broer van een Unieburger die zelf meerderjarig is, kunnen de meerderjarige Unieburger of diens familie zich dan in hun voordeel beroepen op artikel 20 VWEU? 

Verwijzende rechter: Hof van cassatie (C-870/25)

„Moeten artikel 18.1 VWEU en artikel 21 Handvest Grondrechten EU aldus worden uitgelegd dat zij, in een materie van Unierecht zoals de taal waarin herstelexamens worden afgelegd, zich verzetten tegen een nationale regelgeving waarbij het theoretisch en praktisch herstelexamen, ook in het kader van het afleggen van deze examens wegens een veroordeling voor een verkeersovertreding, zoals in het Vlaamse Gewest enkel kunnen worden afgelegd in het Nederlands of, voor wat betreft het

Verwijzende rechter: Politierechtbank Oost-Vlaanderen (C-816/25)

1) Moet artikel 2, k) van de VERORDENING (EU) Nr. 168/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers aldus worden uitgelegd dat een voertuig dat onder voormelde bepaling ressorteert en geen modelgoedkeuring kan verkrijgen, als een gevolg daarvan op grond van deze regelgeving niet op de openbare weg mag worden gebruikt?” 

Verwijzende rechter: Raad van Staat (C-644/25)

Moeten artikel 3, punt 7, de artikelen 36 tot en met 45 en artikel 59 van richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, aldus worden uitgelegd dat een entiteit die door een lidstaat is aangewezen als ‚bevoegde instantie’ voor de evaluatie en goedkeuring van projecten  moet worden g

Verwijzende rechter: Raad van Staat (C-645/25)

Moeten artikel 3, punt 7, de artikelen 36 tot en met 45 en artikel 59 van richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, aldus worden uitgelegd dat een entiteit die door een lidstaat is aangewezen als ‚bevoegde instantie’ voor de evaluatie en goedkeuring van projecten  moet worden g

Verwijzende rechter: Raad van Staat (C-646/25)

Moeten artikel 3, punt 7, de artikelen 36 tot en met 45 en artikel 59 van richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt, aldus worden uitgelegd dat een entiteit die door een lidstaat is aangewezen als ‚bevoegde instantie’ voor de evaluatie en goedkeuring van projecten  moet worden g