Verwijzende rechter: Franstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel (C-4/25)

1) Wanneer een lidstaat, buiten het kader van de toepassing van een bepaling van afgeleid recht, in het kader van gezinshereniging een visum toekent aan de ouders en de minderjarige broer van een Unieburger die zelf meerderjarig is, kunnen de meerderjarige Unieburger of diens familie zich dan in hun voordeel beroepen op artikel 20 VWEU? 


2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, strekken de toepassing van artikel 20 VWEU en dus de uitvoering van het Unierecht in de zin van artikel 51 van het [Handvest] zich dan uit tot voorbij de toekenning van het visum – bijvoorbeeld tot aan de afgifte (persoonlijke overhandiging) ervan? 


3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 20 VWEU, op zichzelf of in samenhang met de artikelen 2, 4, 7 en 24 van het [Handvest] gelezen, dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaat die een visum heeft toegekend zoals bedoeld in de eerste vraag, wanneer het voor de begunstigde van het visum (onderdaan van een derde land) niet mogelijk is om het derde land waar hij verblijft zonder hulp te verlaten en zijn leven daar duidelijk in gevaar is, verplicht is om deze begunstigde te helpen om dit land te verlaten en dit visum in ontvangst te nemen (persoonlijke overhandiging)? 


4) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de hulp op grond van (een van) voornoemde bepalingen er dan in bestaan dat: 

  • de begunstigde van het visum (onderdaan van een derde land) wordt opgenomen in een evacuatieprocedure die de betrokken lidstaat heeft ingesteld voor door deze lidstaat vastgestelde categorieën van personen, onder dezelfde voorwaarden als die personen en ook indien deze begunstigde niet tot deze categorieën behoort; of in elk geval 
  • de autoriteiten van alle derde landen die deze begunstigde verhinderen om naar de Europese Unie te gaan, worden geïnformeerd over het feit dat deze begunstigde in de Unie wenst te verblijven en daartoe over het vereiste visum beschikt, ook indien deze informatie buiten het kader van voornoemde evacuatieprocedure valt? 


5) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord en los van de tweede tot en met de vierde vraag, verzet artikel 20 VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten, en op zichzelf of in samenhang met de artikelen 2, 4, 7 en 24 van dat Handvest gelezen, zich ertegen dat een lidstaat die een evacuatieprocedure heeft opgezet buiten een derde land, deze procedure voorbehoudt aan echtgenoten en minderjarige kinderen van burgers van de Europese Unie, terwijl het leven van alle familieleden van die burgers die zich in dat derde land bevinden, in gevaar is?