Verwijzende rechter: Hof van beroep Bergen

1° Artikel 25, [lid] 9, van verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, bepaalt dat steun om kmo’s die in de primaire landbouwproductie actief zijn te vergoeden voor schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, met 50 % wordt verminderd, tenzij hij wordt toegekend aan begunstigden die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio waarvoor een verzekering is afgesloten. Is dit artikel van toepassing indien het steun betreft om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die wordt beschouwd als een natuurramp (in casu droogte) die niet behoort tot de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat (in casu België)? 

2° Is de in die bepaling opgenomen vermindering van toepassing indien het steun betreft om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die wordt beschouwd als een natuurramp (in casu droogte) die niet behoort tot de klimaatrisico’s waartegen een in de betrokken lidstaat (in casu België) verkrijgbare verzekering dekking verleent, ook al bestaan er verzekeringspolissen die andere klimaatrisico’s – die statistisch vaker voorkomen (in casu hagel) – dekken en die het landbouwbedrijf die de steun geniet, had kunnen afsluiten? 

3° Staat die bepaling de betrokken lidstaat toe om steun die bestemd is om landbouwbedrijven te vergoeden voor schade als gevolg van een weersomstandigheid die als een natuurramp wordt beschouwd, niet te verminderen, wanneer de begunstigde van de steun aantoont dat het soort productie van zijn bedrijf (in casu blijvend en tijdelijk grasland alsmede grasgronden bestemd voor het voederen van vee en geen gewassen) in de betrokken lidstaat (in casu België) niet kan worden verzekerd tegen de statistisch vaakst voorkomende klimaatrisico’s, voor ten minste 50 % van de gemiddelde jaarlijkse productie of van het gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen van zijn bedrijf?