1. a. Is afdeling 4 van hoofdstuk II (de artikelen 12 – 15) van de Richtlijn inzake elektronische handel (2000/31) van toepassing op gokactiviteiten, hoewel artikel 1, 5., d), derde streepje uitdrukkelijk bepaalt dat deze richtlijn niet van toepassing is op diensten van de informatiemaatschappij bestaande uit gokactiviteiten waarbij een geldbedrag wordt ingezet, zoals loterijen en weddenschappen?
b. Zo ja, moet dit begrip ‘gokactiviteiten’ worden ingevuld naar nationaal recht, of is het een autonoom begrip van het Unierecht (en welke toepassingscriteria zijn in dat geval relevant, en betekent de aanwezigheid van elementen die hieraan zouden voldoen in een app dat de hele app hierdoor als een gokactiviteit moet worden beschouwd)?
2. Valt software te koop aangeboden op een online platform zoals deze in het geding (App Store) onder het begrip ‘informatie’ in de zin van diezelfde artikelen 12 – 15 (en valt deze verkoop dus onder het begrip ‘de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie’ in artikel 14, thans artikel 6 van de Digitaledienstenverordening 2022/2065)?
Zo ja, kan om te bepalen of de dienstverlener zich als behoedzame marktdeelnemer heeft gedragen en toch geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteiten of informatie duidelijk blijkt (in de zin van artikel
14, 1., a), thans artikel 6, 1., a)), rekening gehouden worden met informatie over een categorie inhoud (hier loot boxes) die per hypothese in haar geheel onwettig is, of moet de informatie die de dienstverlener bereikt betrekking hebben op welbepaalde, individuele inhoud
brengt het proces van goedkeuring van apps die in de App Store worden aangeboden met zich mee dat de afnemer deze apps koopt onder toezicht van de dienstverlener, in de zin van artikel 14, 2. (thans artikel 6, 2.)?