Verwijzingsbeschikking: Grondwettelijk Hof

1) „Moet artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aldus worden uitgelegd en toegepast dat het gastland verplicht is om, ten eerste, een werkzoekende een redelijke termijn toe te kennen teneinde hem in staat te stellen kennis te nemen van mogelijkerwijs geschikte vacatures en de maatregelen te nemen die vereist zijn om in dienst te worden genomen, ten tweede, te erkennen dat de termijn om werk te zoeken in geen geval minder dan zes maanden mag bedragen en, ten derde, een werkzoekende toe te staan om zich tijdens de volledige duur van die termijn op zijn grondgebied op te houden, zonder van hem het bewijs te verlangen dat hij een reële kans maakt om in dienst te worden genomen?”
2) „Moeten de artikelen 15 en 31 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en de algemene beginselen van de voorrang van het Unierecht en de nuttige werking van de richtlijnen aldus worden uitgelegd en toegepast dat de nationale rechters van het gastland in het kader van het onderzoek van een beroep tot nietigverklaring van een besluit tot [Or. 15] niet-erkenning van een verblijfsrecht van een burger van de Unie voor meer dan drie maanden, verplicht zijn om rekening te houden met nieuwe feiten die zich hebben voorgedaan nadat de nationale autoriteiten hun besluit hadden genomen, wanneer die feiten de situatie van de betrokkene aldus kunnen wijzigen dat zijn verblijfsrecht in het gastland niet langer kan worden beperkt?”

File: